De zorg voor uw kinderen

De opvang van nieuwe leerlingen
Kinderen mogen als ze 4 jaar worden naar school. Om aan school te wennen mogen kinderen vanaf 3 jaar en 10 maanden gedurende 5 ochtenden (al dan niet aaneengesloten) als gast worden toegelaten. Het is belangrijk voor een kind om elke dag naar school te gaan, zowel ’s morgens als ’s middags. Dit is niet verplicht maar wel aanbevelingswaardig. Als het kind erg moe is kunt u hem/haar incidenteel een middagje thuis houden. Dit wel graag even aan school doorgeven. Gedurende het hele schooljaar kunnen kinderen op school worden aangemeld. Voor inlichtingen en de aanmelding van nieuwe leerlingen kunt u, na een afspraak, terecht bij de directeur.
Wij hebben vier kleutergroepen, waarin kinderen van 4 jaar kunnen worden geplaatst. Onze uitgangspunten zijn dat de groepen ongeveer gelijk in grootte zijn en dat er een evenredige verdeling tussen jongens en meisjes is. Zusjes en broertjes komen in principe niet bij elkaar in dezelfde klas.
Wij gaan er van uit dat kinderen zindelijk zijn als ze op school komen. De leerkrachten zijn niet in de gelegenheid kinderen te verschonen, een ongelukje daar gelaten. Kinderen die niet zindelijk zijn kunnen daarom (nog) niet toegelaten worden.
Door verhuizing en/of verandering van school stromen er ook tussentijds leerlingen in. De toeleverende school stuurt ons een onderwijskundig rapport met de gegevens. Hierdoor kunnen we ervoor zorgen dat de overgang zo soepel mogelijk verloopt.

Het volgen van de ontwikkeling van de kinderen in de school
Alle leerlingen worden in hun ontwikkeling gevolgd. Na aanmelding worden gegevens opgenomen in het digitale leerlingendossier. Daarin worden persoonlijke gegevens van individuele kinderen verzameld en bewaard. Daar komen ook de verslagen van gesprekken met de ouders in.
De leervorderingen van de kinderen worden in het digitale leerlingvolgsysteem (LVS) verzameld. Hierin komen alle resultaten van de toetsen die we afnemen en observaties. Wanneer een leerling extra zorg krijgt komen de verslagen van gesprekken, uitslagen van onderzoeken, handelingsplannen en de evaluaties daarvan en belangrijke gegevens in het leerlingdossier. De groepsleerkracht beheert dit dossier en geeft informatie door aan de volgende leerkracht.

Observatielijsten
De ontwikkeling van de kleuters wordt bijgehouden door middel van observatielijsten. De kleuters worden drie perioden per jaar geobserveerd op diverse ontwikkelingsgebieden en drie keer per jaar worden de observatielijsten ingevuld. De observaties worden met de ouders besproken tijdens de rapportavonden. De observatielijsten zijn ook de basis voor de rapporten welke twee maal per jaar verschaft worden. Tevens geven de observatielijsten aan of een kind zich voldoende ontwikkeld heeft om naar groep 3 te gaan.

Dagelijks werk
Het dagelijkse werk, de ontwikkeling van een kind, wordt door de leerkracht gevolgd. In de onderbouw verzamelen we het kinderwerk en geven dat gebundeld mee om er later nog eens met genoegen naar te kunnen kijken. Later worden de opdrachten veelal in schriften gemaakt. Het dagelijkse werk wordt regelmatig getoetst door middel van methodeafhankelijke toetsen of door ons zelf ontworpen toetsen. We hebben daarvoor toetsschriften of maken gebruik van losse bladen, die we in een multomap van het kind verzamelen.

Onafhankelijke toetsen
Op vaste tijdstippen (toetskalender) worden toetsen afgenomen, die niet horen bij een methode. Dit zijn de Cito-toetsen (Centraal Instituut voor Toets Ontwikkeling). De uitslag van deze toetsen, waarbij een vergelijking met een landelijk gemiddelde mogelijk is, geeft ons objectieve informatie over de leerprestaties van uw kind. De uitslagen komen in het eerder genoemde LVS.
De verrichtingen van ieder kind en van de groep kunnen zodoende op langere termijn worden gevolgd. Deze toetsen worden afgenomen in de groepen 2 t/m 8. De oudste kleuters maken Cito-toetsen op het gebied van voorbereidend lezen en rekenen/wiskunde. De groepen 3 t/m 8 maken Cito-toetsen voor spelling, rekenen en begrijpend lezen. Voor technisch lezen wordt de AVI-toets en de DMT-toets gebruikt. Voor alle groepen is een toetskalender opgesteld.
In een gesprek kunnen de resultaten van uw kind(eren) aan de orde komen.
De uitkomsten worden tevens gebruikt om ons onderwijs te evalueren. Zo nodig wordt het onderwijs, groepsgewijs of individueel, bijgesteld.

Extra zorg in de groep
Wanneer een kind in het schoolleven problemen ondervindt, maakt de groepsleerkracht een afspraak met de ouder(s) en/of verzorger(s).
In dat gesprek worden de problemen besproken en probeert de leerkracht in samenspraak een oplossing te vinden. Mogelijk wordt ook de hulp van de intern begeleider(s), als verantwoordelijken voor de zorg, ingeschakeld. Er wordt getracht het kind zoveel mogelijk te begeleiden in de groepssituatie. Soms is extra aandacht al voldoende, soms krijgt het kind speciale leertaken, soms wordt er een beroep gedaan op de ouders om met het kind thuis dit proces te ondersteunen. De ouders ontvangen een verslag van de gemaakte afspraken.
Wanneer u als ouder van uw kind signalen ontvangt over mogelijke problemen schroom dan niet om contact op te nemen met de groepsleerkracht.
Zeker is dat goed overleg tussen de leerkracht en de ouder(s) in het belang is van uw kind.
Groepsleerkrachten uit andere groepen en/ of internbegeleiders kunnen extra hulp bieden, bijvoorbeeld tijdens gymuren die door de vakleerkracht gegeven worden of van 11.45 -12.15 uur. (Extra hulp wordt ook wel RT genoemd: remedial teaching)

Extra zorg in de school
Als, ondanks de extra inspanning, niet het gewenste resultaat bereikt wordt, bespreekt de leerkracht de problematiek in een leerlingbespreking. Collega’s denken dan mee en helpen een en ander te verduidelijken en dragen mogelijke oplossingen/adviezen aan. Bijvoorbeeld extra hulp door leerkrachten of door externen zoals de onderwijsbegeleidingsdienst, door bijvoorbeeld een onderzoek. Een onderzoek wordt alleen aangevraagd als de school een hulpvraag heeft of handelingsverlegen is en als er financiën voor beschikbaar zijn. De intern begeleiders zijn verantwoordelijk voor de zorgstructuur van de school en begeleiden de leerkrachten en ouders bij het geven van de juiste zorg aan het kind. Er zijn twee interne begeleiders die naast groepsleerkracht belast zijn met deze extra zorg voor leerlingen. Dit zijn Caroline de Jonge en Debbie Kouwenberg.
In overleg met de ouders worden de afspraken en de te volgen procedure besproken en vastgelegd in een handelingsplan c.q. verslag. Bij testen of bij onderzoek door derden vraagt de school de ouders om toestemming. Onder de aanvraagformulieren zetten de ouders hun handtekening. De ouders krijgen een kopie van de aanvraag.

Signalering
Een achterstand of een voorsprong kan gesignaleerd worden door ouders of school. Er komt een melding van ouders naar school of andersom. Er vindt een gesprek plaats met de groepsleerkracht, eventueel in aanwezigheid van een intern begeleider.
• De groepsleerkracht meldt de signalering aan de intern begeleider.
• Deze onderzoekt/verifieert samen met de groepsleerkracht en de ouders en bespreekt het verdere verloop.
• Op basis van de gegevens die uit het voorgaande komen, volgt bespreking in de leerlingbespreking.
Daar worden afspraken gemaakt over de te volgen stappen:
- externe test/test van de schoolbegeleidingsdienst nodig of niet?
- versnellen, verrijken, verdiepen, geen actie voorlopig, andere stof aanbieden?
- aandachtspunten
- verdere ontwikkeling van het kind (sociaal emotioneel, leeftijd, groei e.d.)
- aanmelding Zorg Team (ZT)?
Als geen verder onderzoek nodig is, stelt de groepsleerkracht een plan op, eventueel samen met de intern begeleider. Dit kan onder andere inhouden dat een kind extra of andere stof krijgt bij één of meer vakgebieden. Er wordt afgesproken welke stof dit dan is. Ook kan het inhouden dat het kind op dit moment even juist wel of geen specifieke aandacht nodig heeft. Voorgenomen essentiële besluiten worden in het team besproken.
Ieder besluit wordt genomen in overleg met de ouders en de intern begeleiders. De teamvergadering bekrachtigt deze besluiten. Na een van te voren afgesproken periode vindt er een evaluatie plaats en worden er verdere afspraken gemaakt.

Teambespreking
Binnen het team kunnen kinderen besproken worden die om wat voor reden dan ook opvallen. Dit kan zowel op sociaal-emotioneel gebied als op verstandelijk gebied zijn. De interne leerlingbegeleiders bewaken de zorg voor deze kinderen. De Onderwijs Adviesdienst en de schoolarts kunnen hierbij betrokken zijn (ZT). Leerlingbesprekingen vinden minimaal 3 keer per jaar plaats. Tijdens deze besprekingen worden ook leerlingen besproken die mogelijk doubleren/ versnellen. In groep 8 vindt in principe geen doublure plaats.

Zorg voor hoogbegaafden/ hoogintelligenten, of kinderen met een ontwikkelingsvoorsprong
Als blijkt dat een leerling tot een van de bovengenoemde categorieën behoort, bekijken wij door middel van vragenlijsten, testen en toetsen (eventueel extern) welke aanpak het beste aansluit bij de behoeften en mogelijkheden van het kind. Op basis van de gegevens van zowel school als ouders kan gekozen worden voor versnellen, verrijken, verdiepen, extra testen, afwachten enz.
Versnellen betekent voor onze school maximaal één keer in de schoolloopbaan in een volgende groep plaatsnemen. Als dit goed is voor het kind kan het naar een volgende groep groeien. De stof van de groep wordt dan in versnelde/verkorte vorm aangeboden om het kind goed voorbereid naar de nieuwe groep te laten gaan. Ook aan ‘wennen’ in de nieuwe groep en ‘afscheid’ nemen van de oude groep wordt aandacht besteed.
Onder verdiepen verstaan wij het dieper ingaan op de stof. Verrijken is het toepassen van andere werkvormen en andere stof aanbieden. Voorbeelden hiervan zijn het ‘compacten’ bij rekenen en het volgen van het ‘routeboekje’ van SLO.
Dit alles doen wij om de belangstelling van het kind vast te houden en te voorkomen dat het kind gaat onderpresteren.
In de teamvergadering vindt de evaluatie plaats van de werkwijzen, de gebruikte materialen en de ontwikkeling van het kind.
Besluiten worden genomen in nauw overleg met de ouders en worden schriftelijk vastgelegd. Er is regelmatig overleg met de ouders. De afzonderlijke opdrachten worden met het kind geëvalueerd, al dan niet aan de hand van een leercontract.

Procedure extra zorg buiten de school en de samenhang met het zorgplan, het Zorg Team (ZT) en de Permanente Commissie Leerlingzorg (PCL)
Er worden de laatste jaren minder snel kinderen verwezen naar een school voor speciaal (basis) onderwijs. Elke basisschool probeert ervoor te zorgen dat het onderwijs past bij de behoefte van het kind. Dat is het doel van de overheidsmaatregel Weer Samen Naar School. De basisschool en het speciaal (basis) onderwijs werken nu veel meer samen. De Regenboog is aangesloten bij een samenwerkingsverband. Het samenwerkingsverband heeft een zorgplan waarin alle activiteiten gericht op zorg een plaats hebben. De intern begeleiders onderhouden de contacten met de speciale scholen voor basisonderwijs (SBO).
Enkele kinderen hebben leer -of gedragsproblemen die vrij ernstig zijn. Men zoekt dan, samen met de ouders, de beste 'bovenschoolse' begeleiding. Het gaat er om een beter toegeruste opvang te vinden. Als uw kind hiervoor in aanmerking komt, kan het door school worden aangemeld bij het Zorg Team (ZT). Dit zijn de interne leerlingbegeleiders, de schooladviesdienst, de schoolarts en de ambulant begeleider van het samenwerkingsverband. Het ZT kan uitgebreid worden met een vertegenwoordiger van Jeugdzorg, de JGZ (Jeugdgezondheidszorg) of nog anders. In het ZT wordt met elkaar besproken welke mogelijkheden/ onmogelijkheden de basisschool heeft om een kind dat extra zorg nodig heeft verder te helpen. Het ZT stelt vast wat de beste oplossing is: bijvoorbeeld met speciale begeleiding toch op de eigen school blijven, of plaatsing op een andere school voor primair onderwijs. Het kan zijn dat er tijdelijk of langdurig opvang in een school voor speciaal (basis) onderwijs gewenst is, of dat andere hulpverlening beter is.
Door gebruik te maken van de mogelijkheden van Preventieve Ambulante Begeleiding (PAB is hulp van een leerkracht van de speciale school voor basisonderwijs), wordt geprobeerd de leerling binnen het gewone primair onderwijs te houden. Wanneer na alle onderzoek en overleg blijkt dat het kind wellicht beter kan worden begeleid op een speciale school voor basisonderwijs, zal in overleg met de ouders een officieel verzoek daartoe worden voorbereid voor de PCL. In de Permanente Commissie Leerlingzorg (PCL) wordt bekeken/besproken en beslist of een leerling in het primair onderwijs kan blijven of verwezen wordt naar een speciale school voor basisonderwijs. De PCL is een externe commissie van deskundigen. De ouders dienen de aanvraag in en de basisschool stelt een onderwijskundig rapport over het kind op. De PCL beoordeelt op basis van dit rapport of het kind toelaatbaar is voor de speciale school voor basisonderwijs. De ouders kunnen tegen een besluit van de PCL bezwaar aantekenen en in beroep gaan. Wanneer er zich grote problemen voordoen, die gedragsmatig van aard zijn, dient de school een keuze te maken betreffende de belangen van de individuele leerling of de belangen van de groep. De school kiest dan voor het belang van de groep. Voor wat betreft ontoelaatbaar gedrag zie “Schorsen en verwijderen”.

Externe contacten
Diverse instanties bieden verschillende vormen van dienstverlening aan scholen en leerlingen. Te denken valt aan cursussen voor leerkrachten en onderzoeken bij kinderen. Ook bieden ze hulp bij de keuze van een nieuwe lesmethode.
Onderwijs Advies is een instelling waarvan de diensten door de school betaald moeten worden. Als de school een onderzoek aanvraagt zijn er voor de ouders geen kosten aan verbonden. Aanmelding bij OA kan alleen door ons plaatsvinden als het past binnen het schoolbudget. De school heeft besloten de beschikbare gelden op basis van een eerste onderzoek in te zetten. Een onderzoek wordt alléén aangevraagd als de school een hulpvraag heeft en bepaald heeft welke leerlingen voor onderzoek in aanmerking komen.
Wanneer een leerling problemen heeft met leren of met gedrag, dan kan de school een beroep doen op de diensten van een externe instantie. Dit gebeurt overigens altijd in overleg met de ouders. Pas als school en ouders van mening zijn dat externe hulp nodig is en de financiën ervoor beschikbaar zijn, vindt aanmelding bij een degelijke instantie plaats. Altijd is de eerste stap een gesprek tussen school, ouders en begeleider om het probleem zo helder mogelijk te krijgen. Zonodig komt de begeleider in de klas kijken of wordt er een test afgenomen. Nadat er voldoende gegevens verzameld zijn, vindt er weer een gesprek plaats met ouders en school. De begeleider licht de gegevens uit het onderzoek toe. Gezamenlijk wordt dan bepaald welke oplossingen voor het probleem mogelijk zijn en wat het beste gedaan kan worden. Er kan een beperkt aantal leerlingen voor een eerste onderzoek in aanmerking komen. De school bepaalt de prioriteit. Als uit een onderzoek blijkt dat behandeling, c.q. verder onderzoek door een externe instantie/persoon noodzakelijk/gewenst is, komt de bekostiging daarvan voor rekening van de ouders.

Dyslexie
• Wat is dyslexie?
Dyslexie betekent letterlijk niet kunnen lezen. Met dyslexie bedoelt men dan lees- en spellingproblemen. Lees- en spellingproblemen kunnen ook los van elkaar voorkomen.
Ongeveer 10% van de leerlingen in groep drie is wat betreft hun ontwikkeling nog niet helemaal ‘klaar’ voor het leren lezen en schrijven. Daar kunnen allerlei oorzaken voor zijn. Er hoeft dan nog geen sprake te zijn van dyslexie. Maar hulp is dan wel geboden om een achterstand in te halen of niet verder te laten oplopen en frustraties bij het kind te voorkomen. Gaat het kind niet vooruit ondanks alle extra inspanning en begeleiding, dan kan er sprake zijn van dyslexie. Dat komt voor bij ongeveer 3% van alle leerlingen. Het is dan raadzaam een deskundige psycholoog of orthopedagoog in te schakelen voor een individueel onderzoek.

• De oorzaak
De precieze oorzaak van dyslexie is nog niet helemaal duidelijk. Men denkt aan (microscopisch kleine) afwijkingen in de hersenen. In 1998 is een groot tienjarig wetenschappelijk onderzoek van start gegaan naar de biologische achtergronden en vroege kenmerken van dyslexie. Er staat al wel vast dat er bij dyslexie sprake is van een erfelijke factor.


• De gevolgen
Dyslexie heeft niet alleen gevolgen voor het leren van de talen, maar in ons talige onderwijssysteem ook voor vakken waar veel lezen bij te pas komt. Leerlingen met dyslexie moeten daar, in vergelijking met hun klasgenoten met eenzelfde intelligentie, onevenredig veel energie in steken.

• Bijkomende problemen
Dyslexie komt regelmatig voor in combinatie met andere stoornissen, zoals bijvoorbeeld spraak- taalstoornissen, motorische stoornissen, ADHD (aandachts- en concentratiestoornissen, hyperactiviteit en impulsiviteit) of andere leerstoornissen zoals dyscalculie (hardnekkige rekenproblemen).

• Signalen
Op de kleuterleeftijd is dyslexie nog niet vast te stellen. Wel kunnen er een aantal signalen zijn om het kind extra in de gaten te houden. Bijvoorbeeld wanneer het een algemeen zwak taalniveau heeft, slecht versjes kan onthouden en slecht kan rijmen en moeite heeft met het aanleren van willekeurige afspraken, zoals de begrippen ‘links’ en ‘rechts’ en de namen van kleuren. Niet alle kinderen met deze problemen ontwikkelen echter dyslexie. Een vertraagde spraak-/taalontwikkeling en dyslexie in de familie hebben wel een zekere voorspellende waarde.

• Diagnose en behandeling
Dyslexie is niet vast te stellen door hersenonderzoek. De diagnose wordt gesteld na individueel onderzoek door een deskundige psycholoog of orthopedagoog. Deze werkt volgens een procedure die door de Stichting Dyslexie Nederland (SDN) werd opgesteld in samenwerking met verschillende beroepsgroepen en met Balans. In alle gevallen hoort bij de diagnose een plan van aanpak.
Er is geen vorm van behandeling of therapie bekend waarmee het leesprobleem volledig wordt opgelost. Er moet hard worden gewerkt voor het bereiken van resultaat. ‘Wondertherapieën’ (bijvoorbeeld medicatie en bewegingsoefeningen) en wondermiddelen (zoals speciale brillen) zijn in wetenschappelijk onderzoek niet effectief bevonden.

• Dyslexie op school
Binnen de setting van het onderwijs is helaas onvoldoende capaciteit voor de diagnostiek en behandeling van dyslexie. Op dit moment zijn de meeste ouders aangewezen op particuliere hulpverlening. In school worden leerlingen met lees/spellingsproblemen, waaronder leerlingen met dyslexie, extra ondersteund door bijvoorbeeld de voorschotbenadering, pré-teaching, herhaald lezen, lezen met een cd, enz. Verdere informatie kunt u bij de leerkracht vragen.

• Dyslexieverklaring
Wanneer dyslexie is vastgesteld hoort bij het rapport van de deskundige ook een dyslexieverklaring, die recht geeft op verschillende faciliteiten in het (voortgezet)onderwijs. De bekendste daarvan is extra tijd bij toetsen en examens. Daarnaast kunnen scholen zelf hun leerlingen met dyslexie een aantal voorzieningen bij toetsen, overhoringen en schoolexamens toestaan.

• Kenmerken:

Leerlingen met dyslexie kunnen moeite hebben:
• om het verschil te horen tussen klanken als m en n; p, t en k; s, f en g; eu, u en ui
• om de klanken in volgorde te zetten (‘dorp’, ‘drop’);
• om de aandacht te houden bij ‘klankinformatie’ (gesproken woord);
• met het inprenten van reeksen (bijvoorbeeld tafels of spellingsregels);
• met het onthouden van vaste woordcombinaties, uitdrukkingen of gezegdes;
• met het onthouden van losse gegevens (rijtjes, woordjes, jaargetallen, enz.).
De dyslexie kan soms pas worden opgemerkt in het vervolgonderwijs omdat de basisschool het niet heeft herkend of omdat de leerling door een zeer goede intelligentie in staat was de problemen te omzeilen of te camoufleren.
In het voortgezet onderwijs ontstaan er problemen omdat:
• ze opeens heel veel nieuwe woorden tegelijk moeten leren;
• ze moeten presteren onder tijdsdruk;
• ze ook vreemde talen krijgen, waarbij de spellingsregels soms onduidelijk zijn;
• er in het voortgezet onderwijs meer wordt gelet op een correcte spelling.
In het voortgezet onderwijs kunnen leerlingen met dyslexie opvallen door:
• slecht mondeling en schriftelijk taalgebruik;
• spreken of schrijven in korte zinnen;
• een zwak werkgeheugen;
• een moeilijk leesbaar handschrift;
• veel verbeteringen en doorhalingen in schriftelijk werk;
• een negatief zelfbeeld, faalangst, extreme spanning bij lees- en spreekbeurten, proefwerken en presteren onder tijdsdruk.

Er zijn diverse instanties waar u terecht kunt met uw vragen. Onder andere de vereniging Balans heeft diverse boeken en brochures voor ouders en leerkrachten. (www.balansdigitaal.nl)

Rugzakleerling
Met ingang van 1 augustus 2003 is de wet: “leerlinggebonden financiering” in werking getreden. Deze wet heeft de bedoeling om ouders van een kind met een handicap of stoornis, meer keuzevrijheid te geven betreffende plaatsing van hun kind in het reguliere of speciale onderwijs. Het gaat om kinderen die aantoonbaar, zonder extra ondersteuning geen reguliere school kunnen bezoeken. De financiële middelen die voor een kind met een handicap of stoornis nodig zijn, gaan als het ware in een rugzakje mee. Ouders krijgen de middelen niet zelf in handen. Een deel van de middelen is bestemd voor de school (materiaal+formatie) en een deel voor de begeleiding door de speciale school. Voor de schoolformatie betekent dit dat er extra ‘leerkrachttijd’ (al dan niet individueel) aan het kind geboden kan worden. De school ontvangt ook geld voor de aanschaf van extra leermiddelen, zoals speciaal reken- of leesmateriaal. Wanneer een kind met een “rugzakje” wordt aangemeld zullen de ouders van deze rugzakleerling op de hoogte worden gesteld van ons beleid en van de te volgen procedure. Dit beleid is erop gericht om gezamenlijk de doelstellingen voor het kind en daarbij de (on)mogelijkheden van de school te bespreken en te bepalen. De school bepaalt uiteindelijk of plaatsing haalbaar is of niet (en de benodigde zorg geleverd kan worden).

De begeleiding van de overgang van kinderen naar het voortgezet onderwijs
In groep 8 staan de ouders in overleg met onze school voor de keuze welk vervolgonderwijs het beste past bij hun kind. De Regenboog en het voorgezet onderwijs zullen veel informatie geven en er komen open dagen op de scholen.
Wij werken op de basisschool aan de zelfstandigheid van leerlingen. Het is de bedoeling dat zij zelf huiswerk gaan plannen, zelf problemen oplossen, zelf vragen stellen als een en ander niet duidelijk is en zelf verantwoordelijkheid leren dragen. Dat komt hen goed van pas als zij naar het voortgezet onderwijs gaan.
Bij het eerste rapport ontvangt iedere leerling van groep 8 een schooladvies dat door de groepsleerkracht(en) na overleg met de leerkrachten van de betreffende leerling in groep 6 en 7, de intern begeleider en de directie wordt gegeven. Het schooladvies houdt in: welk type voortgezet onderwijs naar de mening van onze school voor deze leerling het meest geschikt is.
In januari vindt er, indien gewenst en op afspraak, een vervolggesprek plaats tussen de ouders van de leerling en de groepsleerkracht over het advies.
Iedere leerling ontvangt algemene informatie over het voorgezet onderwijs en een boekje waarin alle scholen voor voortgezet onderwijs in de regio vermeld staan met de datum en tijd van de ‘open dagen’. Kinderen en ouders kunnen dan gaan kijken en vragen stellen.
De ouders melden hun kind aan bij de school van hun keuze.
In maart ontvangen de ouders de uitslag van de Cito-eindtoets, waarin staat vermeld in welk type van het voortgezet onderwijs de leerling de meeste kans van slagen heeft.
De Regenboog geeft aan de school voor voortgezet onderwijs de uitslag van de Cito-toets door en het adviesformulier. Op het adviesformulier vult de groepsleerkracht een waardering in voor de leervakken en voor de werkhouding van de leerling.
In het eerste jaar op het voortgezet onderwijs bespreekt het voorgezet onderwijs met de leerkracht van groep 8 hoe het met de leerlingen gaat. Ook ontvangen wij de cijfers van alle leerlingen die bij ons op school gezeten hebben. Deze cijfers gebruiken we om eventueel ons onderwijs bij te stellen, maar wij vinden het natuurlijk ook fijn 'onze' leerlingen nog enige tijd te kunnen volgen.

Procedure onderzoek en advisering schoolverlaters
De overgang van primair onderwijs (PO) naar voortgezet onderwijs (VO) is voor kinderen een belangrijk moment in hun schoolleven. Om die reden is het van belang dat deze overgang zorgvuldig wordt begeleid. Informatieoverdracht is daarbij een belangrijk aspect, evenals een goede advisering aan de ouders over de vorm en het niveau van VO dat bij het kind past.
Vooral bij kinderen die in het PO extra aandacht nodig hebben is goede en juiste informatie van groot belang. Om de zorg voor die leerlingen op een goede wijze over te dragen aan het VO is een protocol opgesteld, in samenwerking met WSNS en het voortgezet onderwijs.
Het protocol is een leidraad bij het vaststellen van het niveau waarop een kind kan instromen in het VO.
Soms is het nodig dat uw kind, ook in het voorgezet onderwijs (VMBO) extra zorg en ondersteuning krijgt. Dat gebeurt op enkele scholen, die daarvoor van de overheid extra geld krijgen. Om in aanmerking te komen voor dit leerweg ondersteunend onderwijs (LWOO) en voor het Praktijk onderwijs (PRO) heeft de leerling een beschikking nodig. De Regenboog meldt de leerling aan, na overleg met de ouders, voor de gemeenschappelijke testen van het basisonderwijs en het voorgezet onderwijs. Aanmelden kan alleen als er een leerachterstand is. Ouders geven schriftelijk toestemming voor het deelnemen aan deze gemeenschappelijke testen. De testen vinden eind oktober/ begin november plaats. In de meeste situaties is er al in groep 6/7 met u gesproken over deze mogelijkheid voor uw kind. Na de afname wordt er een schooladvies gegeven. Met dit schooladvies kan de gekozen school een beschikking aanvragen. Het schooladvies moet worden goedgekeurd. Daarmee wordt het advies een “beschikking”. Deze beschikking is noodzakelijk om in aanmerking te komen voor leerweg ondersteunend onderwijs (LWOO) en voor het Praktijk onderwijs (PRO). Een beschikking kan alleen afgegeven worden bij het verlaten van het basisonderwijs en de start van het voorgezet onderwijs.

• Afname, verwerking en bespreking gebeuren door school en het Zorgloket van het voortgezet onderwijs samen.
• Na de test wordt het schooladvies gegeven in een adviesgesprek met u, op school. U krijgt daarbij een schriftelijk overzicht van de behaalde resultaten.
• De gegevens worden vertrouwelijk en zorgvuldig behandeld en gaan pas naar de gekozen school nadat uw kind daar is aangemeld. Hierna wordt met deze gegevens een beschikking aangevraagd.
• Afhankelijk van het advies bepaalt de basisschool in overleg met u of CITO deelname nog wenselijk/ noodzakelijk is.

Regels voor toelating, vertrek, schorsing en verwijdering
• Toelating
Het toelatingsbeleid kent geen onderscheid ten aanzien van ras of godsdienst. Alvorens leerlingen worden toegelaten verklaren de ouders op het aanmeldingsformulier dat zij de katholieke identiteit van de school zullen respecteren. De directeur van de school beslist over de toelating van de leerling op de school. De maximale groepsgrootte is 35.
Sinds 17 juni 2004 is er een toelatingsbeleid voor “De Regenboog” van toepassing. Het is ingesteld vanwege de huisvesting.
U kunt op school naar dit toelatingsbeleid vragen. Bij ieder aanmeldingsformulier zit het toelatingsbeleid.

• Regels bij vertrek van de school
Het uitschrijven van een leerling dient schriftelijk te gebeuren middels een brief met daarin vermeld de naam van de leerling, welke groep, de reden (b.v. verhuizing), naar welke school (naam, adres, postcode, plaats en telefoonnummer en land) de leerling toe gaat en de datum van ingang. Van elke vertrekkende leerling ontvangt de vervolgschool een onderwijskundig rapport en een uitschrijfformulier. Dit onderwijskundig rapport wordt opgemaakt door de school en heeft tot doel de ontvangende school te informeren over de gevolgde methoden, de leerinhouden en de vorderingen hierin.

• Schorsing/verwijdering
Schorsing van een leerling vindt slechts plaats indien door het gedrag de vorm of de inhoud van de katholieke identiteit wordt geschaad dan wel het geven van goed onderwijs aan andere leerlingen wordt belemmerd. Het besluit tot schorsing neemt de directeur in overleg met het schoolbestuur. Indien het voornoemde gedrag bij voortduring plaatsvindt, zal verwijdering volgen. Het bestuur beslist dit op basis van een voorstel van de directeur. Er is op school een beleid betreffende schorsing en verwijdering én een procedure daarvoor. Schorsing vindt plaats voor ten hoogste vijf dagen. Als tot verwijdering besloten wordt heeft de school acht weken de inspanningsverplichting om een andere school voor de leerling te zoeken. U kunt de meer uitgebreide versie van het schorsing/verwijderingbeleid opvragen bij de directeur.

Maatregelen ter voorkoming en bestrijding van lesuitval
Met maatregelen in het kader van het Arbo-beleid proberen we te zorgen dat leerkrachten zich prettig voelen op de werkplek en zo verzuim van leerkrachten te voorkomen. Zo gauw een leerkracht niet aanwezig kan zijn gaat het protocol (zie bijlage 3) in. Door een goed personeelsbeleid wordt geprobeerd uitval van leerkrachten te voorkomen.